Daar zat ik dan. Dinsdagmiddag, twee uur. Ik droeg voor de derde dag op rij dezelfde foute joggingbroek, mijn haar zat in een vet knotje en op mijn borst sliep mijn dochter van vier maanden. Buiten scheen de zon. Via Instagram zag ik hoe collega’s samen een terrasje pakten na een geslaagde presentatie. Vriendinnen wandelden door de stad. En ik? Ik zat al drie uur op de bank vastgeklemd, bang om te bewegen omdat ze anders wakker zou worden en het ontroostbare huilen weer opnieuw zou beginnen.
Op dat exacte moment overviel me een gedachte die zo donker en scherp was dat de schrik me om het hart sloeg: ‘Ik wil mijn oude leven terug. Ik wil dit niet meer.’
Het droomscenario dat anders uitpakte
Mijn vriend en ik hadden ruim een jaar geprobeerd zwanger te raken. Toen die twee streepjes eindelijk op de test verschenen, schreeuwden we het uit van geluk. Ik had me alles voorgesteld: heerlijke wandelingen achter de kinderwagen, rustige ochtenden met een cappuccino terwijl de baby zoet lag te slapen, en dat magische ‘roze wolk’-gevoel waar iedereen het over heeft.
Maar de werkelijkheid sloeg in als een bom. Onze dochter bleek een huilbaby met verborgen reflux. Slaap werd een luxe uit een vorig leven. Mijn vriend ging na een week weer aan het werk en daar zat ik dan. Dag in, dag uit. De muren kwamen op me af.
Liefde versus verlies
Het verwarrende -en het meest eenzame – aan deze fase was dat ik zielsveel van mijn dochter hield. Als ze naar me glimlachte, smolt ik. Maar zodra ze sliep en de stilte in huis viel, voelde ik een peilloze leegte. Ik was niet alleen mijn nachtrust kwijt, ik was mijzelf kwijt. Mijn carrière, mijn vrijheid, mijn spontaniteit, de gesprekken met mijn vriend die ooit ergens anders over gingen dan spuitluiers en slaapschema’s… het was in één klap weg.
Als vriendinnen op kraamvisie kwamen en vroegen hoe het ging, zei ik met een getrainde glimlach: ‘Zwaar hoor, die nachtvoedingen! Maar het is het allemaal waard.’
Ik durfde de waarheid niet te zeggen. Ik durfde niet te bekennen dat ik me soms op het toilet opsloot om stilletjes te huilen. Dat ik me opgesloten voelde in mijn eigen huis. Ik was doodsbang dat ze zouden denken dat ik een slechte moeder was. Of erger nog: dat ik niet van mijn kind hield.
De ommekeer
De knop ging pas om toen mijn dochter half augustus acht maanden werd en ik bij mijn dagelijkse winkelrondje een andere moeder sprak. Ze zag me worstelen met de wagen en vroeg simpelweg: ‘Moeder zijn, het is wat hé?’
Ik schoot vol. Midden op straat. En toen zei zij de verlossende woorden: ‘Je mag heel veel van je kind houden en tegelijkertijd je oude leven vreselijk missen. Dat maakt je geen slechte moeder, dat maakt je mens.’
Die erkenning was mijn redding. Ik ben weer twee dagen gaan werken, we hebben oppas geregeld voor een avondje samen en ik heb geaccepteerd dat de babytijd simpelweg niet mijn favoriete fase is.
Inmiddels is mijn dochter anderhalf. Ze kletst, rent rond en het leven voelt weer bruisend. Aan elke moeder die nu op de bank zit met een overprikkeld brein en een schuldgevoel: je bent niet alleen. Het wordt echt beter. En je mag je oude jezelf missen.
In de vorige ‘Echt Mama‘: ‘Mijn kind is twee, maar ik voel me nog steeds geen moeder’


